Er was een dorp van wezens op de bodem van een grote rivier. De stroom van de rivier snelde voort – jong en oud, arm en rijk, goed en kwaad; de stroom ging zijn eigen weg. Elk wezen klemde zich op zijn eigen manier vast aan de planten en stenen op de bodem van de rivier, want vastklemmen was hun wijze van leven en zich tegen de stroom verzetten was wat ieder van zijn geboorte af geleerd had.
Maar uiteindelijk zei één van hen: “Ik word het moe me vast te klemmen. Ofschoon ik het met mijn eigen ogen niet kan zien, vertrouw ik dat de stroom weet waar hij naar toe gaat. Ik laat los en laat me meevoeren. Als ik me blijf vastklemmen zal ik sterven van verveling.”
De andere wezens lachten en zeiden: “Dwaas! Laat los en de stroom die jij vereert, zal je buitelend over de rotsen sleuren en verpletteren, en je zult sneller sterven dan dat de verveling verdwijnt!”
Maar die ene sloeg geen acht op hen en diep adem halend liet hij los en meteen werd hij buitelend door de stroom over de rotsen gesleurd en bijna verpletterd. Maar uiteindelijk, toen het wezen weigerde zich opnieuw vast te klemmen, tilde de stroom het vrij van de bodem.
En de wezens verder stroomafwaarts, voor wie het een vreemde was, riepen: “Kijk, een wonder! Een wezen als wijzelf, maar het vliegt! Kijk, hij is gekomen om ons allen te redden!”
En degene die door de stroom meegevoerd was zei: “Ik ben evenmin een verlosser als jullie. De rivier schept er genoegen in ons vrij te maken, als we ons alleen maar durven te laten gaan. Onze echte opdracht is deze reis, dit avontuur.”
Maar ze riepen des te harder: “Redder, verlosser!”, zich nog steeds vastklemmend aan de rotsen, en toen ze weer opkeken was hij verdwenen. Zo bleven ze achter op de bodem van de rivier en schiepen verhalen over een redder.
Dit prachtige verhaaltje staat in de Verhalenmail van juli. Je kunt je hierop gratis abonneren via de site Zinnige Verhalen.